Nieuwegein is in de jaren zeventig als groeikern ontworpen en dat is aan de opzet af te lezen: brede wegen, gescheiden verkeersstromen, een sneltram naar Utrecht en een centrum dat in één keer is neergezet. Dat centrum is een overdekt winkelgebied. Er is geen plein met eeuwen erachter; er is een gebouw met verdiepingen, een parkeergarage en gedeelde ingangen.
Voor de lokale vindbaarheid levert dat een eigen soort werk op. Veel zaken delen één straatnaam en soms één huisnummer met een toevoeging. De openingstijden worden door het winkelgebied bepaald en wijken op feestdagen af van wat een winkelier zelf zou invullen. En het gebouw heeft een eigen profiel met eigen beoordelingen, waarin bezoekers over parkeren en drukte schrijven in plaats van over een zaak. Wie de naam van het winkelgebied intypt, komt daar uit en niet bij de winkel die hij zocht.
Buiten het centrum is de economie zakelijk en uitvoerend: bouw- en installatiebedrijven op Plettenburg en Het Klooster, kantoren langs de snelweg en een ziekenhuis dat een veel groter gebied bedient dan de stad zelf. Daarnaast liggen Vreeswijk en Jutphaas, de twee oude dorpen waaruit Nieuwegein is gevormd en die bewoners nog altijd bij hun eigen naam noemen.
Verdieping op de twee onderwerpen die in deze markt het meeste opleveren: een winkel zichtbaar maken naast het profiel van het gebouw en ingang, verdieping en parkeergarage in beeld brengen.